Hoe kon Hitler aan de macht komen?

Foto vanop Wikimedia

Hitler wordt vaak voorgesteld als de verpersoonlijking van het kwade. Het is echter belangrijk om na te gaan in welke historische omstandigheden hij aan de macht kon komen. Hoe kon één van de machtigste arbeidersbewegingen ter wereld zo’n nederlaag ondergaan en onderdrukt worden door een brutale dictatuur? Zou zoiets vandaag nog mogelijk zijn?

Dossier door Ben Robinson, overgenomen vanop blokbuster.be

Revolutionair Duitsland

Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog was Duitsland een verwoest land. Meer dan anderhalf miljoen Duitsers waren omgekomen. Een economische blokkade zorgde ervoor dat de levensomstandigheden van de arbeiders in de steden erop achteruit gingen. Het verzet tegen de oorlog nam snel toe.

De partij die werd opgebouwd door de arbeiders, in nauwe samenwerking met de vakbonden en gesteund door miljoenen loyale kiezers, was de Sociaaldemocratische Partij (SPD). Voor de oorlog werd deze partij gezien als de belangrijkste socialistische partij in de wereld. Maar in augustus 1914 gaven de leiders van de partij ook hun formele verzet tegen het kapitalisme op en stemden ze voor de oorlog, ook al was dit een oorlog om de imperialistische belangen van de heersende klasse te dienen.

De groei van een anti-oorlogsstemming, het grote aantal dodelijke slachtoffers aan het front, de sterkere uitbuiting in de fabrieken, … Dat was de realiteit voor de arbeiders. In 1916 betoogden in Berlijn 10.000 arbeiders achter de slogan “weg met de oorlog, weg met de regering.” In Rusland leidden gelijkaardige omstandigheden tot een revolutionaire beweging met in oktober 1917 de vestiging van een socialistische regering.

De nieuwe Russische regering riep de vrede uit en maakte duidelijk dat het mogelijk was om een einde te maken aan het kapitalisme. Dat deed de hoop onder de arbeiders opflakkeren. Het kwam snel tot een golf van revolutionaire bewegingen in Europa. In november 1918 werden arbeidersraden opgezet in Duitsland en begon het rijk van de keizer ineen te storten. Gedurende korte tijd hadden de arbeidersraden effectief de macht in een aantal steden.

De Duitse arbeidersklasse en grote delen van de middenklasse wilden komaf maken met het oude systeem en keken uit naar een socialistisch alternatief. Er was echter geen duidelijkheid over hoe dit concreet zou kunnen worden gerealiseerd en er was geen partij met een ervaren leiding die in staat was om de situatie in te schatten en tegelijk een strategie naar voor te schuiven om het socialisme te bereiken. De jonge communistische partij (KPD) vond inspiratie bij de Russische bolsjewieken en telde heel wat strijdbare socialisten in haar rangen, maar was op dat ogenblik een relatief kleine partij.

De leiders van de SPD speelden een verraderlijke rol. Deze partij werd door velen gezien als een partij voor de arbeiders, maar de leiding was meer aan het proberen om de heerschappij van de kapitalistische klasse veilig te stellen op basis van een mengeling van repressie en toegevingen aan de arbeiders. De SPD vormde aanvankelijk een regering die in naam leek op de revolutionaire regering in Rusland. Maar in tegenstelling tot de bolsjewieken in Rusland, probeerden de SPD-leiders om het kapitalisme te redden. In haar strijd tegen de revolutionaire beweging maakte het regime veelvuldig gebruik van de “Freikorpsen”, gewelddadige en nationalistische paramilitairen. Veel leden van deze “Freikorpsen” zouden later een rol spelen in de nazi-partij van Hitler en haar diverse gewapende groepen.

De SPD-politiek zorgde ervoor dat de partij heel wat steun verloor. In 1919 haalde de partij 11,5 miljoen stemmen, maar bij de daaropvolgende verkiezingen (18 maanden later) daalde dit reeds tot 5,6 miljoen kiezers. Aanvankelijk steunden heel wat activisten die braken met de SPD de linkse “Onafhankelijke SPD” (USPD), een partij die was opgezet nadat al wie zich tegen de oorlog verzette uit de SPD werd gesloten. In 1920 besloot een meerderheid van de USPD om de jonge communistische partij te vervoegen, waardoor de ‘Verenigde Communistische Partij’ een massabasis kreeg.

De opkomst van Stalin

Er werden een aantal kansen en mogelijkheden gemist door de KPD. In 1923 genoot de partij de steun van een meerderheid van de arbeiders, maar de partij miste de kans om het kapitalisme in Duitsland omver te werpen. Dit werd midden jaren 1920 gevolgd door een korte periode van stabiliteit voor het Duitse kapitalisme. Er kwamen meer strijdbewegingen voor hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden, maar de noodzaak om het kapitalisme af te schaffen verdween naar de achtergrond in het bewustzijn van de massa’s.

De na-oorlogse revolutionaire periode kwam internationaal ten einde. De Sovjet-Unie stond geïsoleerd midden een zee van vijandige kapitalistische landen en zonder enig vooruitzicht op verandering. De nederlaag van verschillende bewegingen van de arbeidersklasse had een impact op de Russische massa’s. Bovendien waren de Russische massa’s verzwakt door de moeilijke tijden en het verlies van een deel van de beste bolsjewieken in de oorlog. Het achtergebleven karakter van de Russische industrie, een erfenis van het tsarisme, zorgde er mee voor dat de behoeften van de bevolking niet werden ingelost. Al deze factoren maakten een opkomst van een bevoorrechte bureaucratie onder leiding van Stalin mogelijk. Deze opkomst werd aanvankelijk bestreden door de echte leiders van de Russische Revolutie: Lenin voor zijn dood en Leon Trotski, die uiteindelijk uit Rusland werd verbannen en zelfs vermoord.

Deze veranderingen hadden niet alleen een impact in Rusland. De Communistische Internationale (Comintern) kwam onder de leiding van Stalin en co te staan. Zij gaven de ideeën van de Russische Revolutie steeds meer op en maakten veel fouten. Dat ging later over in openlijk verraad, waarbij de eigen privileges en voordelen boven de belangen van de internationale arbeidersklasse werden geplaatst. Dat gebeurde bijvoorbeeld na 1939 toen Duitse vluchtelingen die in Rusland verbleven aan Hitler werden overgedragen.

Ook de Duitse KPD-leiders kwamen steeds meer onder de directe controle van de heersende kliek rond Stalin in Moskou te staan. Voor veel arbeiders namen die veranderingen in de KPD de oude associatie met de Russische Revolutie, de militante strijd tegen het kapitalisme en de nagedachtenis van Luxemburg en Liebknecht niet weg. De KPD bleef haar positie van revolutionaire partij in Duitsland behouden met honderdduizenden uitstekende strijders, zowel arbeiders als jongeren die loyaal bleven aan de partij.

Sociaaldemocratie

De SPD had nog steeds een massale steun onder de arbeidersklasse en armen. In 1928 won de partij de verkiezingen voor de Reichtstag met meer dan 9 miljoen stemmen, terwijl de KPD er 3,2 miljoen kreeg. Dit verkiezingsresultaat was een uitdrukking van de hoop op een betere levensstandaard en een geloof onder bredere lagen van de bevolking dat de SPD een oplossing zou bieden voor hun problemen. Maar eens te meer vormde de partij een coalitie met verschillende burgerlijke partijen en voerde ze een beleid in het belang van de kapitalistische klasse. De SPD speelde een dubbele rol: enerzijds werd de strijd tegengehouden door gebruik te maken van haar steun onder de bevolking, anderzijds waren er openlijke aanvallen. Ook in verschillende andere Europese landen speelden sociaaldemocratische partijen een gelijkaardige rol.

De KPD en de ondertussen stalinistisch geworden Comintern erkenden dat de SPD een dergelijke rol speelde. Maar hun reactie erop was totaal verkeerd en was een hinderpaal voor eengemaakt arbeidersverzet tegen het fascisme.

De SPD werd door de stalinisten omschreven als “sociale fascisten,” de belangrijkste vijand van de arbeidersklasse. Een groot deel van de campagnes waren tegen de SPD gericht. Dit was onderdeel van de doctrine van de ‘Derde Periode’ (na de eerste periode van kapitalistische crisis tussen 1918 en 1924 en de tweede periode van stabiliteit van 1924 tot 1928) waarbij werd gedacht dat het kapitalisme ten val zou komen en de arbeidersklasse de macht zou grijpen. Het gevaar van de fascisten en van contrarevolutie werd onderschat. Trotski stelde dat de KPD zich gedroeg als een orkest dat trouwmuziek bracht op begrafenissen en begrafenismuziek op trouwpartijen, waarbij de muziek telkens misplaatst is.

Veel KPD-leden waren verbitterd door de rol van de SPD in het bloedig onderdrukken van de revolutionaire beweging tussen 1918 en 1920. De KPD-leiding had het moeilijk om een onderscheid te maken tussen de SPD-leiding en de aanhoudende massale steun voor de SPD, zeker onder oudere militanten, vakbondsmilitanten en andere activisten.

De KPD-leiders en Stalin bestempelden niet enkel de SPD als “fascistisch”. Ze deden dat met zowat iedere partij, met inbegrip van de “Trotski-fascisten.” Dat zorgde voor verwarring onder de arbeiders en jongeren die de KPD steunden, maar het zorgde ook voor een onderschatting van het echte gevaar van de nazi’s. In de stalinistische logica was iedere andere partij fascistisch en zou een machtsovername door de nazi’s bijgevolg weinig verschil maken. Ze zagen het gevaar niet van een consolidatie van de nazi-macht. Dat zou de antifascistische strijd in Duitsland niet bepaald vooruithelpen.

Crash op Wall Street

In 1929 kwam de economische groei ten einde. Eens te meer werd Duitsland overspoeld door een economische crisis. De officiële werkloosheid nam toe van 1,39 miljoen in 1928 tot meer dan 5,5 miljoen in 1932. Het aantal werkenden nam af van 19 miljoen in 1929 tot 11,5 miljoen begin 1933. Deze situatie zorgde voor enorme woede en wanhoop onder de arbeiders en de middenklasse. Die zagen hun levensstandaard bijzonder snel achteruitgaan. De door de SPD geleide coalitieregering kwam begin 1930 ten val, grotendeels omdat haar steun was uitgehold. De hoop dat de SPD voor oplossingen zou zorgen, verdween onder alle lagen van de bevolking.

De Duitse kapitalistische klasse was bang voor het potentieel van een radicalisering en een revolutionaire beweging die het systeem zou bedreigen. Het patronaat wilde niet enkel de arbeidersbeweging tegenhouden en revoluties stoppen, het wilde ook de toegevingen van na de vorige opstanden teniet doen. Na de val van de coalitieregering onder leiding van de SPD, kwamen er verschillende regeringen die vaak “noodregeringen” waren. Het werden semi-dictatoriale regimes, maar deze regeringen kwamen telkens de val. De heersende klasse dacht steeds meer dat de nazi’s het best geplaatst waren om de arbeiders te stoppen en vroegere toegevingen teniet te doen.

Fascisme

Het fascisme kwam vooral in Duitsland en Italië op de voorgrond in de periode na de Eerste Wereldoorlog. In heel wat landen vormden vroegere legerofficieren reactionaire gewapende groepen die revolutionaire bewegingen aanvielen, soms met de steun van de staat. In Italië combineerde Mussolini, die de naam “fascisme” lanceerde, deze paramilitaire methoden met een voornamelijk middenklasse-gerichte beweging die groot werd op basis van populistische slogans. De aanhoudende sociale onrust en de dreiging van een socialistische revolutie leidden ertoe dat een deel van de Italiaanse heersende klasse steun gaf aan Mussolini omdat ze dacht dat dit de beste manier was om uit de crisis te raken. In 1922 hield Mussolini de zogenaamde “Mars op Rome” en werd hij gevraagd om een regering te vormen. Dit was het begin van een totalitaire dictatuur die de macht consolideerde en op die basis steeds verder kon gaan. Hitler en anderen waren geïnspireerd door de overwinning van de Italiaanse fascisten en probeerden hetzelfde te doen in Duitsland. Het kwam tot een staatsgreep in 1923. Belangrijke elementen uit de burgerij gaven echter geen steun aan deze staatsgreep omdat de socialistische “bedreiging” al grotendeels was afgewend. De burgerij en het leger steunden de staatsgreep niet, waardoor de leiders in de gevangenis belandden (met erg lichte straffen, zeker in vergelijking met de doodstraffen voor talrijke revolutionairen).

De relatief rustige periode na 1924 maakte het ook voor de nazi’s moeilijk. De partij kreeg weinig steun in deze periode. Maar de ontgoocheling en de radicalisering in 1929 veranderde deze situatie volledig voor Hitler die opeens massale steun begon te verkrijgen. De nazi’s kregen heel wat financiële middelen van grote bedrijven en delen van de heersende klasse in Duitsland.

In een periode van relatieve stabiliteit was de parlementaire democratie voor de kapitalistische klasse de gemakkelijkste optie om haar heerschappij op te leggen. Het feit dat de kapitalisten over veel middelen beschikten, zorgde ervoor dat er een grote vorm van controle was op de politieke partijen en dat wil van de burgerij werd opgelegd terwijl de bevolking de illusie had dat zij het voor het zeggen had. De situatie in Duitsland begin jaren 1930 was echter totaal anders. Er was een breed verzet tegen de kapitalistische partijen, maar ook tegen de algemene sociale en economische situatie. Er waren bijzondere maatregelen nodig om het kapitalistische systeem overeind te houden.

Hitler en de nazi’s speelden in op dat brede verzet en ongenoegen. Ze omschreven hun standpunten vaak als “antikapitalistisch.” De term “nazi” is een afkorting van “nationaal-socialistisch,” ook al zijn fascisme en socialisme totaal tegengestelde stromingen. De nazi’s hadden steeds socialistische en communistische bijeenkomsten aangevallen. Ook stakingspiketten ondergingen een fascistische behandeling van straatgeweld.

Sociale basis van fascisme

Het Duitse leger had een nederlaag geleden in de Eerste Wereldoorlog. Duitsland moest grote sommen geld als compensatie betalen aan Frankrijk, Groot-Brittannië, België en andere landen. De Duitse economie lag aan diggelen. De crisis van de Duitse en de wereldeconomie op het begin en het einde van de jaren 1920 trof de hele bevolking. De rijken konden het zich permitteren om wat geld te verliezen, sommigen zorgden er zelfs voor dat ze de crisis in hun voordeel konden uitspelen. Sommige arbeiders beschikten over machtige vakbonden die de gevolgen van de crisis wat konden verzachten. Diegenen die het hardst getroffen werden door de veranderende levensstandaard, waren de middenklasse en de ongeorganiseerde en werkloze arbeiders.

Tot de middenklasse behoorden professoren, kleine handelslieden, mensen met een vast inkomen, maar ook kleine boeren en anderen. In tegenstelling tot fabrieksarbeiders waren zij niet georganiseerd en konden ze niet verenigd hun belangen verdedigen. Na een relatief stabiele periode met een degelijke levensstandaard, werd een hele laag van de bevolking in armoede en dakloosheid geworpen.

Toen dit in 1922-23 gebeurde, was de arbeidersbeweging in het offensief. Heel wat slachtoffers van de kapitalistische crisis begonnen zich op de arbeidersbeweging te richten en namen deel aan de strijd voor socialisme. Deze beweging slaagde er echter niet in om het kapitalisme omver te werpen of om de problemen van bredere lagen van de bevolking op te lossen.

Deze mislukking was niet vergeten. In de crisis na 1929 waren het niet de belangrijkste socialistische organisaties die de leiding namen van een beweging, ook al kreeg de KPD heel wat steun (dit werd echter beperkt door haar ultralinkse aanpak die afschrikte waardoor veel ouderen en werkende militanten nog steeds de SPD steunden). Het fascisme deed zich voor als een alternatief op het systeem in crisis. Op die basis was het fascisme in staat om een massale beweging te worden die zich in eerste instantie baseerde op de middenklasse, maar ook delen van de meeste onderdrukte lagen van de samenleving aantrok.

Deze beweging ging gewelddadig in tegen arbeidersbijeenkomsten, prominente activisten, … Er werd geprobeerd om de socialistische beweging te vernietigen. Daarmee toonde het fascisme haar ware aard: het verdedigen van de belangen van de kapitalisten stond centraal. Het racistische antisemitisme van de nazi’s speelde in op reeds lang bestaande vooroordelen die werden gebruikt om steun te verwerven. De nazi’s probeerden de socialisten aan te vallen met het argument dat Marx van Joodse afkomst was. Er waren aanvallen op Joodse en buitenlandse kapitalisten, om zo de aandacht af te leiden van de meerderheid van de Duitse heersende klasse.

De middenklasse had niet de economische macht, het gezamenlijk belang of de organisatie om beslissend te kunnen optreden als klasse. In een periode van toegenomen klassenstrijd richt deze klasse zich ofwel op de kapitalisten ofwel op de arbeidersbeweging.

Het feit dat er een maatschappelijke basis was voor de reactionaire opvattingen van het nazisme, betekende echter niet dat de situatie verloren was. Er was een woede tegenover het kapitalisme en tevens was er een sterke arbeidersbeweging. Het kwam erop aan om de arbeiders te verenigen in verzet tegen het kapitalisme, wat tegelijk Hitler zou hebben ondermijnd.

Het eenheidsfront

De SPD en KPD kregen de steun van miljoenen arbeiders. Naast hun vele leden waren er ook miljoenen kiezers. Bij alle verkiezingen, met uitzondering van juli 1932, haalden ze samen meer stemmen dan Hitler. Naarmate de fascistische dreiging toenam, organiseerden ze verdedigingsgroepen die een ernstige militaire dreiging hadden kunnen vormen tegen de nazi’s.

Zodra de nazi’s een bedreiging vormden, stelde Trotski reeds dat het nodig was om met verschillende arbeidersorganisaties, partijen, vakbonden, … samen een eenheidsfront te vormen tegen de nazi’s. Dat zou betekenen dat samen campagne werd gevoerd tegen de nazi’s om hen te ontmaskeren en de arbeidersbeweging te beschermen tegen fysieke aanvallen van de militaire groepen zoals de SA of de SS.

Een eenheidsfront betekent echter niet dat de verschillende onderdelen van dit front hun eigenheid opgeven of niet langer opkomen voor een eigen programma op basis van eigen analyses.

De meeste leiders van de SPD en de vakbonden waren niet bereid om ernstig te strijden tegen de nazi’s, toch niet als dit buiten de parlementaire debatten of de kranten gebeurde. Ze waren zelfs niet bereid om zichzelf te verdedigen toen een presidentiële coup in 1932 een einde maakte aan de door de SPD geleide regering in Pruisen, de grootste deelstaat van Duitsland. Er werd algemeen verwacht dat de SPD hierop een algemene staking zou uitroepen om haar positie in de regering van Pruisen te verdedigen. Maar de SPD-leiding bestond uit kapitalistische politici, de opvolgers van diegenen die de revolutie tussen 1918 en 1920 hadden tegengehouden. Het waren politici die in maart 1933 niets deden toen Hitler de KPD verbood en niet toeliet dat de verkozenen van deze partij het parlement betraden. De SPD-leiders waren vastberaden om binnen het kapitalistische systeem te blijven en weigerden om strijdbewegingen tegen de nazi’s te leiden indien ze vreesden dat deze uit de hand zouden lopen en het kapitalisme zelf in vraag zouden stellen.

Ondanks deze verraderlijke rol van de leiding, kreeg de SPD de steun van miljoenen arbeiders. Enkel door eenheid met die arbeiders voorop te stellen, kon de KPD de opkomst van Hitler stoppen en zou de mogelijkheid ontstaan zijn om een socialistische samenleving te vestigen in Duitsland.

Verkeerde politiek

In plaats daarvan bleef de KPD vasthouden aan de politiek van “sociaal fascisme” waarbij de leiding van de SPD – in plaats van de opkomende nazi-partij – tot de belangrijkste vijand van de arbeidersklasse werd uitgeroepen. Dat leidde er zelfs toe dat de KPD soms samenwerkte met de nazi’s in het bestrijden van de SPD. Midden 1931 wilden de nazi’s een referendum afdwingen in Pruisen om het verder bestaan van de SPD-regering in vraag te stellen. In deze periode kon de nazi-partij op heel wat steun rekenen. Als de SPD-regering daar ten val was gekomen, zou de overwinning van de nazi’s groot zijn geweest. Maar de KPD kreeg orders uit Moskou om de campagne voor het referendum te ondersteunen en de partij herdoopte het in een “rood referendum.” Dat leidde tot heel wat weerstand. Uiteindelijk werd het voorstel om een referendum te houden nipt verworpen.

Ondanks het rotte karakter van de leiding, bleef de vastberadenheid van het verzet van de arbeiders en jongeren tegen Hitler bestaan. In heel wat regio’s waren er wanhopige gevechten. Binnen de SPD was er een groeiende oppositie tegen de passieve houding van de leiding en haar steun aan het kapitalisme. Onder KPD-leden was er een groeiend besef dat er dringend nood was aan een eenheidsfront tegen de nazi’s.

Duitsland was steeds meer gepolariseerd, maar tegen eind 1932 stelden sommigen dat de nazi’s over hun hoogtepunt heen waren. In november 1932 hadden de nazi’s inderdaad heel wat stemmen verloren bij de verkiezingen. Maar de kapitalistische partijen beslisten om Hitler te steunen als kanselier (eerste minister), vooral omdat ze bang waren van het recordaantal stemmen voor de KPD (net geen 6 miljoen stemmen, 16,9%). Dat was een uitdrukking van een bocht naar links in het bewustzijn. Andere rechtse partijen hoopten Hitler te kunnen gebruiken en zo komaf te maken met de nazi’s. Dat plan lukte niet. Op 30 januari 1933 was er een parlementaire coup waarbij Hitler als kanselier werd aangesteld met een rechtse coalitieregering. Zelfs op dat ogenblik kon een arbeidersopstand Hitler van de macht hebben gehouden. De SPD en KPD beschikten over massale steun en hadden nog steeds meer stemmen dan de nazi’s. Ook de gewapende verdedigingsgroepen waren nog intact. Maar de SPD en de vakbondsleiders deden op nationaal vlak niets. De KPD kwam overhaast tot de conclusie dat er nood was aan verenigd verzet, maar de partij kon niet zomaar de fouten uit het verleden rechtzetten. Er waren lokale stakingen en gevechten, maar er was geen algemeen offensief tegen de nazi’s. Hitler was hierdoor in staat om op enkele weken zijn macht te consolideren. Hij beweerde zelfs dat dit gebeurde zonder bloedvergieten. Maar Hitler trad natuurlijk niet alleen op, hij kreeg in maart 1933 de steun van alle rechtse en centrumpartijen. Die gaven in het parlement hun steun aan uitzonderlijke bevoegdheden voor Hitler. Zelfs de SPD-leiders stemden in het parlement voor de eerste verklaring van het nieuwe buitenlandse beleid van de nazi’s. Hitler maneuvreerde de rechtse partijen weg en speelde in op hun angst dat een oppositie tegen de nazi’s de deur zou openen voor een omverwerping van het kapitalisme door de arbeidersklasse die nog niet volledig neergeslagen was.

De nazi’s begonnen onmiddellijk met het onderdrukken van de KPD door onder meer over te gaan tot massale arrestaties. De communistische parlementsleden werden de toegang tot het parlement ontzegd. Zodra Hitler zich sterk genoeg voelde, keerde hij zich ook tegen de vakbonden en de SPD. Hij “overtuigde” de kapitalistische partijen die hem aanvankelijk hadden gesteund om zich te ontbinden. Begin juli sloot Hitler een akkoord, het Concordaat, met het Vaticaan. In het daaropvolgende jaar rekende Hitler in de nacht van de lange messen af met elementen in zijn eigen partij die wat te ver waren meegegaan met de antikapitalistische propaganda en bijgevolg een ander beleid eisten.

De terreur van Hitler tegen de arbeiders, dissidenten, zigeuners, holebi’s en zeker ook tegen de Joodse bevolking is algemeen gekend. Het fascisme voerde een burgeroorlog tegen de bevolking. In heel Europa en elders leidde Wereldoorlog Twee tot een nieuw bloedbad.

Lessen uit de nederlaag van de KPD

Het potentieel dat aanwezig was, werd niet gerealiseerd door de KPD. Dat was volledig toe te schrijven aan de fouten van de leiding die voor een verkeerde politiek stonden. Dat leidde tot oppositie binnen de KPD, verschillende groepen werden uit de partij gezet wegens kritiek op de leiding en de politiek van de Comintern. Dergelijke oppositionele opvattingen werden niet toegelaten in de KPD. De leiding gaf enkel rekenschap aan de kliek rond Stalin in Moskou. Aanhangers van Trotski’s analyses en de strategie van het eenheidsfront, een strategie waarmee de machtsovername door Hitler had kunnen worden vermeden, werden aangevallen in de partij en de stalinistische media.

Zonder een partij die zich baseert op socialistische opvattingen is het onmogelijk om het kapitalisme succesvol omver te werpen. Maar een revolutionaire partij moet een leiding hebben die ter verantwoording kan worden geroepen. Er is ook nood aan een lidmaatschap dat zelf nadenkt en lessen trekt uit vroegere strijdbewegingen. Een discussie binnen de partij over de actualiteit en de beste weg vooruit, biedt mogelijkheden voor de leden om ideeën te bediscussiëren en een beter inzicht te verwerven.

Fascisme vandaag?

Het fascisme was in staat om in de jaren 1920 en 1930 in een aantal landen aan de macht te komen. Dat was verbonden met een aantal specifieke elementen in de situatie. De nazi’s kregen de steun van de heersende klasse omwille van de vrees voor een arbeidersrevolutie. De turbulente economische situatie had een effect en er was natuurlijk ook het falen van de arbeidersorganisaties om massaverzet te organiseren tegen het fascisme en een socialistisch alternatief aan te bieden op een kapitalisme in crisis.

Het fascisme was echter geen cadeau voor de kapitalistische klassen. De fascistische dictators handelden buiten hun directe controle. Uiteindelijk verloor de Duitse heersende klasse een belangrijk stuk grondgebied en onderging ze de enorme verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog.

De heersende klasse heeft haar vingers verbrand aan de nazi’s en zou vandaag wellicht niet meer zo makkelijk eenzelfde weg inslaan. Maar uiteraard betekent dit niet dat de heersende klassen een repressief beleid uitsluiten. Recent werd bijvoorbeeld bekend dat de Britse regering (onder Labour) in 1976 een discussie voerde over de voor- en nadelen van een militaire staatsgreep in Italië. Na de aanslagen van 11 september 2001 in de VS bouwde de CIA geheime gevangenissen en besliste Bush om marteltechnieken bij ondervragingen toe te laten, wat aangeeft hoe ver de democratische rechten kunnen afglijden. De Zuid-Amerikaanse dictatoren van de jaren 1970 en 1980 deden beroep op neofascistische groepen voor steun.

De traditionele middenklasse, de basis voor de steun van de fascistische beweging, is ook sterk veranderd sinds de jaren 1930. Deze groep heeft heel wat gewicht in de samenleving verloren.